- bank
- n. bank; oever; spaarpot; helling; heuvel (ook sneeuw); een rij toetsen; (in computers) een sleuf voor computer geheugen; het aansluiten van een logische geheugeneenheid--------n. geld, contant geld--------v. hellen van een auto of een vliegtuig; opstapelenbank1[ bængk] 〈zelfstandig naamwoord〉1 bank ⇒ mistbank; wolkenbank; sneeuwbank; zandbank; ophoging, aardwal2 oever ⇒ glooiing3 bank 〈ook als gebouw〉 ⇒ geldbedrijf4 reserve ⇒ voorraad, spaarpot5 rij ⇒ serie♦voorbeelden:1 the ship ran aground on a bank • het schip liep vast op een zandbank3 bank of deposit • depositobankcentral bank • staatsbankThe Bank • de Bank van Engeland4 break the bank • de bank doen springen————————bank2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 〈vaak +up〉zich opstapelen ⇒ een bank vormen2 (over)hellen 〈in een bocht〉3 een bankrekening hebben4 bankzaken doen ⇒ de bank houden♦voorbeelden:1 bank up • zich ophopen3 who(m) do you bank with? • bij welke bank ben jij aangesloten?¶ 〈informeel〉 bank on • vertrouwen/rekenen opII 〈overgankelijk werkwoord〉1 indammen2 opstapelen ⇒ ophopen3 doen hellen 〈bijvoorbeeld een vliegtuig, weg〉 ⇒ doen glooien4 〈+up〉opbanken ⇒ afdekken, inrekenen 〈vuur〉5 deponeren ⇒ beleggen, op een bankrekening zetten♦voorbeelden:1 bank the river • de rivier indijken2 bank up earth • aarde opstapelen3 bank a road at the curve • een weg schuin leggen in de bocht5 bank one's salary • zijn salaris op de bank zetten
English-Dutch dictionary. 2013.